Vrijdag 29 mei informeerde minister Hermans de Kamer over de Staatscommissie Zorg. Positief is dat er eindelijk erkenning is voor het feit dat het huidige systeem vastloopt. Tegelijkertijd zie ik precies hetzelfde mechanisme terug dat ons hier de afgelopen twintig jaar óók heeft gebracht. We beginnen opnieuw niet met een open vraag, maar met een conclusie.
De opdracht
De opdracht luidt: adviseer over een ‘financieel houdbaar zorgstelsel als antwoord op vergrijzing en personeelskrapte’. Daarmee staan de aannames al vast: de zorg is onbetaalbaar, vergrijzing is het probleem en personeelstekort de beperkende factor.
Die aannames sturen ook de richting van de oplossingen. Al twintig jaar wijzen beleidsmakers dezelfde schuldigen aan: vergrijzing, de patiënt die te veel zorg vraagt, de zorgprofessional die te duur of te weinig flexibel zou zijn en de medische vooruitgang die de zorg onbetaalbaar maakt
Daardoor zoeken zij vooral naar oplossingen binnen de zorg zelf. Bij patiënten, mantelzorgers en zorgprofessionals, terwijl de aandacht wordt weggeleid van het systeem óm de zorg heen. Niet het systeem moet veranderen, maar de mensen erin. Waarom zouden we dan een andere uitkomst verwachten?
De schijnopening: marktwerking als afstelvraag
Op het eerste gezicht lijkt de Kamerbrief ruimte te bieden voor fundamentele discussie. De commissie moet immers kijken naar financiële prikkels en de rol van concurrentie bij de inkoop. Maar wie goed leest, ziet dat marktwerking niet als principevraag op tafel ligt, maar alleen als afstelvraag. De vraag is niet óf het marktmodel zelf deugt, maar hoe de inkoopmarkt beter kan worden ingericht. Dat is geen fundamentele herziening, maar finetunen binnen hetzelfde denkkader.
Daarmee is de opening schijn. De aannames van de afgelopen twintig jaar mogen ze benoemen, maar niet ter discussie stellen
Referenties: het systeem verwijst naar zichzelf
Ook de referenties onder de opdracht laten zien hoe gesloten deze benadering is. De referentielijst onder de brief telt veertien bronnen, allemaal bestuurlijk en beleidsmatig: VWS, SER, WRR, CPB, RVS en technische werkgroepen. Kijk vervolgens naar de rapporten daaronder, ook die verwijzen weer naar dezelfde bronnen.
In de beslisnota staat dat de voorbereiding is afgestemd met ZIN, NZa, ACM en IGJ – met de toezichthouders van het stelsel dus, opnieuw zonder veldpartij. Verwijzingen naar de praktijk, patiënten of mantelzorgers ontbreken volledig. Het systeem verwijst vooral naar zichzelf.
Dat is opvallend, want twintig jaar geleden deed de politiek exact dezelfde belofte: marktwerking zou zorgen voor betaalbaarheid, kwaliteit, toegankelijkheid en kortere wachtlijsten. De echte vragen voor de opdracht ontbreken opnieuw. Welke aannames uit 2006 zijn niet uitgekomen en waarom niet? Waar zijn de woorden van de zorgprofessional, de patiënt en de mantelzorger? Is personeelstekort de oorzaak of is het een reactie op een systeem dat professionals steeds minder ruimte en vertrouwen geeft? Is vergrijzing werkelijk het probleem?
De samenstelling
Niet alleen de opdracht is problematisch, maar ook degene die haar moeten uitvoeren. Ik lees veel over bestuurlijke ervaring en ‘een frisse blik van buiten’. Terwijl zorgeconomen alweer voorsorteren op deelname, lees ik nergens dat een meerderheid moet bestaan uit mensen die dagelijks ín de zorg werken of langdurig zorg ontvangen. Dat is wat mij betreft de tweede grote misser.
Wie het systeem vooral kent vanuit spreadsheets, toezicht en beleidsstukken, ziet personeelskrapte als arbeidsmarktprobleem. Wie dagelijks in de praktijk werkt, ziet een systeemprobleem. Zorgprofessional besteden immers een groot deel van hun tijd aan administratie en verantwoording. Dat is een bestuurlijke keuze.
De lessen van de afgelopen twintig jaar
De noodklokken blijven luiden. Beleidsmakers blijven pleisters plakken. En de tegenstem vanuit de praktijk blijft buiten beeld. Een probleem oplossen met dezelfde manier van denken die het heeft veroorzaakt, leidt vooral tot nieuwe varianten van dezelfde oplossing.
Zonder fundamentele herbezinning dreigt deze staatscommissie vooral een nieuwe variant te worden van eerdere rapporten. De conclusie van de Staatscommissie zal dan over twee jaar, twee miljoen euro armer, precies hetzelfde als alle voorgaande rapporten.
DISCLAIMER Alle informatie en/of artikelen mogen alleen gedeeld worden met bronvermelding. Verwijzing naar die kennisplatform en auteur Marjet Veldhuis